Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR6746

Datum uitspraak2004-12-01
Datum gepubliceerd2004-12-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404594/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 26 september 2002 heeft verweerder krachtens artikel 8.25 van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 7 april 1997 krachtens die wet verleende vergunning voor een varkensfokkerij op het perceel [locatie] te [plaats] ingetrokken.


Uitspraak

200404594/1. Datum uitspraak: 1 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Uden, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 26 september 2002 heeft verweerder krachtens artikel 8.25 van de Wet milieubeheer de aan [vergunninghouder] op 7 april 1997 krachtens die wet verleende vergunning voor een varkensfokkerij op het perceel [locatie] te [plaats] ingetrokken. Bij besluit van 30 maart 2004, verzonden op 27 april 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen per fax op 4 juni 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juli 2004. Bij brief van 13 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door J.M.B. Fleerakkers, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Krachtens artikel 8:25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag – onverminderd het in de artikelen 8.34, 8.38, 8.39 en 18.12 bepaalde – een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. 2.2.    Appellant heeft betoogd dat verweerder de vergunning ten onrechte heeft ingetrokken, nu hij deze vergunning nodig heeft om een beroep te kunnen doen op de zogenoemde “Ruimte-voor-Ruimte-regeling”. 2.3.    Verweerder heeft zich bij de intrekking van de onderhavige vergunning gebaseerd op het in hoofdstuk 11 van het Agrarisch Milieubeleidsplan neergelegde beleid dat als in een agrarische inrichting gedurende drie achtereengesloten jaren niet het vergunde aantal dieren aanwezig is geweest, de vergunningrechten als bedoeld in de Wet milieubeheer voor het houden van het desbetreffende aantal dieren worden ingetrokken. In bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. 2.4.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn gedurende drie achtereengesloten jaren geen dieren gehouden op het perceel [locatie] te [plaats]. Verder had appellant noch ten tijde van het besluit van 26 september 2002, noch ten tijde van de bestreden beslissing op bezwaar, een concreet beroep gedaan op de “Ruimte-voor-Ruimte-regeling”, in dier voege dat een verzoek was ingediend bij het bestuursorgaan dat tot het nemen van besluiten op grond van deze regeling bevoegd is.    Het vorenstaande in aanmerking genomen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, de vergunning niet in redelijkheid overeenkomstig zijn beleid heeft kunnen intrekken. 2.5.    Het beroep is ongegrond. 2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.C.E. van Wijmen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Van Angeren    w.g. Van Hardeveld Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2004 312-399.